Doelgroep: kinderen
met ADHD of verwante stoornissen, leer- en gedragsstoornissen
Om te voorkomen dat belangrijke symptomen over het
hoofd worden gezien en conclusies te snel worden getrokken, is het
belangrijk te beginnen met het anamnestisch in beeld brengen van
het tot zorg aanleiding gevende probleemgedrag van een kind.
Probleemgedrag is alle handelen, denken en voelen dat aanleiding
geeft tot disfunctioneren. Het vaststellen van probleemgedrag (assessment)
vindt plaats door gebruik te maken van meerdere informanten (ouders,
leerkracht, eigen observatie) en methoden (interview, observatie,
test).
Het psychiatrisch classificatiesysteem DSM-IV (Diagnostic
and Statistical Manual IV
APA, 1994) spreekt van ADHD als naar het oordeel van de clinicus
sprake is van zodanig disfunctioneren ten gevolge van symptomen
op het gebied van Aandachtstekort en/of Hyperactiviteit-Impulsiviteit
dat het kind voldoet aan de criteria voor ADHD . Bovendien moet
een deel van de ADHD-symptomen voor het zevende jaar al aanwezig
zijn geweest, moet het probleemgedrag thans al tenminste een half
jaar voldoen aan de critieria voor ADHD en moet het disfunctioneren
op basis van ADHD-symptomen voor een deel zowel thuis als op school
zichtbaar zijn.
De grootste groep binnen de DSM-IV-categorie ADHD is het ADHD-gecombineerde
type. De groep met ADHD-overwegend aandachtsproblemen wordt doorgaans
aangeduid met Attention Deficit Disorder (ADD). De groep ADHD-gecombineerde
type en de groep ADD bestaan voor 70% uit patiënten die ouder
zijn dan zes jaar, terwijl de groep ADHD-overwegens hyperactief/impulsief
voor het merendeel jonger is dan zes jaar.
Is sprake van zodanige symptomen dat de criteria
voor ADHD worden gehaald, dan volgt de zoektocht naar de oorzaken
van de symptomen (diagnostiek) en mogelijk aanwezige comorbiditeit.
ADHD kan zich manifsteren:
- als een stoornis op zich, die vaak gecompliceerd
wordt door een gedragsstoornis
- in het kader van een leerstoornis (de behandeling
zal zich dan richten op de leerstoornis)
- in het kader van een pervasieve ontwikkelingsstoornis
(die dan primair de aandacht verdient)
- in het kader van het syndroom van Gilles de la
Tourette
- in het kader van (of als een stoornis naast een)
angst- of stemmingsstoornis
- als uiting van een aanpassingsstoornis (duur en
beloop helpen dit doorgaans differentiëren)
- in het kader van een hechtingsstoornis van het
ontremde type
Informatie in te winnen voorafgaande aan of bij het
eerste consult:
- vraagstelling verwijzergedrag
- vragenlijsten ouders en leerkracht (AVL en/of
CBCL, TRF)
- vragenlijst tractus-, familie- en ontwikkelingsanamnese
op indicatie
- rapportage eerdere behandeling, schoolpsycholoog
en (op indicatie) schoolarts.
Klachtenanamnese met ordening van het probleemgedrag
in clusters, beoordeling DSM-IV-criteria ADHD en indiceren nadere
diagnostiek (kinderpsychiatrisch, gezinsfunctioneren, evt. neuropsychologisch).
Observatie kind: ADHD-symptomen,
kwaliteit van het contact, tics, spraak en taal;
Lichamelijk onderzoek:
lengte, schedelomtrek, syndromen, pediatrisch, neurologisch, motoriek;
Op indicatie psychiatrisch onderzoek:
ouderintervieuw (DISC-P), kindonderzoek (SCICA).
De clinicus moet ook nagaan in hoeverre ADHD-symptomen
voorkomen in situaties die bij ADHD-kinderen doorgaans problemen
opleveren zoals de tijd voor school, de maaltijden, het naar bed
gaan, het spelen met andere kinderen en de supermarkt. Ga na welke
pedagogische maatregelen worden toegepast in probleemsituaties (bijv.
snoep, tv kijken, straf) en wat het effect ervan is. Met enige ervaring
valt aan de hand van gedragsvoorbeelden na te gaan in hoeverre aandachtstekort
en/of hyperactiviteit-impulsiviteit de oorzaak zijn van het probleemgedrag,
oppositioneel gedrag en onvoldoende intellectuele capaciteiten.
Vooral het inschatten van de bijdrage van oppositioneel
gedrag aan de ADHD criteria is moeilijk omdat bij ADHD vrijwel altijd
sprake is van een zekere mate van oppositionaliteit.
Er wordt vooral gelet op (te makkelijk) motorisch en/of sociaal
ontremmen, de hoeveelheid aanwijzingen en geduld die nodig zijn
om het kind opdrachten te doen uitvoeren, onrustig worden en afgeleid
raken bij saaie taken, de kwaliteit van het contact, tics en bijzonderheden
in spraak en taal.
Het gezinsfunctioneren wordt op geleide van de klachtenanamnese
globaal of meer in detail uitgediept; financiële problemen
zorgen rond andere gezinsleden, conflicten tussen de ouders, copingstijl
en opvoedkundige kwaliteiten van de ouders, uitingen van genegenheid
of juist vijandigheid jegens het kind, sociaal netwerk enzovoort
.
Voorafgaande aan het lichamelijk onderzoek is de
anamnese afgenomen op alle tracti, medicatie, middelengebruik, gehoor
en visus, het eventueel paroxysmaal optreden van ADHD-symptomen
(epilepsie, feochromocytoom en tics). Ook is aadacht besteed aan
de familieanamnese: tics, leer- of gedragsproblemen, speciaal onderwijs,
aangeboren afwijkingen, epilepsie, schildklieraandoeningen, stemmingsstoornissen,
verslaving.
Bij een blanco tractusanamnese vindt vervolgens ten
minste een pediatrisch en beperkt neurologisch onderzoek plaats
en wordt de bloeddruk gemeten en pols opgenomen. De uitkomsten van
dit onderzoek vormen de uitgangswaarden voor een mogelijk toe te
passen farmacotherapie.
Aanvullend onderzoek vindt op indicatie plaats; een
EEG, alleen als er klinisch een verdenking bestaat op epilepsie;
een MRI, alleen als er focaal neurologische afwijkingen zijn. ECG
en laboratoriumonderzoek worden alleen op indicatie of als de farmacotherapie
het zinvol maakt uitgevoerd.
De schildklierfunctie wordt alleen onderzocht als de anamnese of
het lichamelijk onderzoek verdacht zijn voor hypo- of hyperthyreoïdie,
er sprake is van struma, de familieanamnese positief is op schildklieraandoeningen
of er sprake is van een afgenomen groeisnelheid.
Patiënten met ADHD hebben defecten laten zien
in de volgende executive functions (Sagvolden & Sergeant, 1998;
Tannock 1998): aandacht, tijdsbesef (de integratie van cognitie
en gedrag in de tijd), planning, organisatie, geheugen en fluency.
Op ADHD-gebied ervaren psychologen kunnen nader onderzoek helpen
indiceren.
Ongeveer tweederde van de kinderen met ADHD heeft
in de jong volwassenheid nog tenminste enige hinderlijke ADHD-symptomen.
Het zijn vooral de kinderen bij wie:
- ADHD in de familie voorkomt
- Er sprake is van psychosociaal ongunstige omstandigheden
- De ADHD samengaat met een antisociale gedragsstoornis
- Een angst- of een stemmingsstoornis bestaat.
Bij adolescenten met ADHD komt meer comorbiditeit
voor dan bij kinderen (Biederman e.a, 1998), wat vooral in crissisituaties
(angst, depressie, manie, middelenmisbruik) ervoor zorgt dat de
ADHD onbehandeld blijft. Met alle gevolgen van dien (bijv. suïcide).
Indien ADHD samengaat met een antisociale gedragsstoornis neemt
kans op middelenmisbruik sterk toe.
Bij adolescenten is het belangrijk om auto- en heteronamnestisch
na te gaan of ooit sprake is geweest psychotische symptomen. De
aandachtsproblemen bij een niet-onderkende psychose kunnen voor
ADHD-symptomen zijn gehouden en het gebruik van psychostimulantia
is in deze gevallen contra-geïndiceerd. Ook een anamnese op
middelengebruik is noodzakelijk (Gunning, 1995).
Het begrip leerstoornis is een complex begrip. Het
is middels psychologisch en / of neuropsychologisch onderzoek wel
te diagnosticeren. In het cognitieve profiel kunnen aanwijzingen
voor een dergelijke stoornis gevonden worden. Bij kinderen met aandachts/gedragsstoornissen
kan leerproblematiek reactief aanwezig zijn. De stagnerende leervorderingen
zijn dan een gevolg van de primaire problematiek. Matige of slechte
werkhouding of motivatieproblemen kunnen eveneens secundair zijn
aan de primaire aandachts- of gedragsstoornis en kunnen verstrekkende
gevolgen hebben.
|